“Neem de titel serieus” Rodaan Al Galidi

neem de titel serieusIn ‘Neem de titel serieus’ luistert Rodaan Al Galidi naar de hartenklop van de mens en hoort hij hoe niet alleen de mens, maar de hele wereld psychisch ziek is. Met zijn woorden tast Al Galidi de werkelijkheid af en probeert hij haar naar zijn hand te zetten. In talloze gedaanten – een adelaar, een jihadist, Indiana Jones, een trein, een depressieve kat die als ‘afgestorven vuur op de vensterbank’ ligt – wordt het psychisch ziek zijn bijna obsessief herhaald. En de mens blijkt zelden de oplossing.

Aanvankelijk lijkt de bundel erg in te zetten op herkenbaarheid, maar geleidelijk kruipt er meer en meer vervreemding in de gedichten. Ook geweld en oorlog krijgen een steeds prominentere rol waardoor de gedichten maatschappelijk erg urgent worden. De toon wordt wranger; de ontregeling en de verscheurdheid groter dan de lezer aanvankelijk kon vermoeden. Veel gedichten uit deze bundel zijn hard en rauw, maar altijd blijft Al Galidi op zoek gaan naar warmte en menselijkheid. De dichter lijkt zijn hoop in de eerste plaats te stellen in de liefde en het verlangen die de wereld transformeren. Maar uiteindelijk is er telkens het besef dat de werkelijkheid stug en tijdelijk is en dat het vlees waaruit de mens gemaakt is onmachtig is tegenover ‘de laagheid van de liefde en geweld/en het aflopen van de dagen.’ De momenten van geluk zijn zeldzaam en de mens is en blijft afval dat teder omhelst wordt.

Je zou kunnen zeggen dat er evenveel dichters in deze bundel aan het werk zijn geweest als er gedichten zijn. Nu eens is Al Galidi baldadig, dan weer lyrisch en ingetogen. Sommige gedichten zijn grotesk, andere verhalend of ongegeneerd romantisch. Al Galidi is een genereus dichter die zijn verzen met een breed en grillig gebaar rondstrooit. Het levert een behoorlijk heterogene bundel op die soms best wat verwarring creëert, zeker wanneer ook de taal zelf psychisch ziek lijkt te worden en de gedichten elkaar gaan becommentariëren en zelfs herschrijven. In de tweede helft van de bundel wordt het spel tussen verzinsel en werkelijkheid steeds nadrukkelijker. Zoals alle dichters liegt Al Galidi de waarheid. De dichter geeft toe dat sommige mensen uit zijn gedichten niet echt zijn en licht zijn meest fundamentele angst toe: ‘Soms word ik bang wakker/dat ik echt besta.’ Dingen verzinnen wordt een existentiële oefening om ‘een reden te geven aan de droefheid/die mij soms overvalt.’ Tot hij in de laatste verzen van de bundel zijn spijt betuigt dat hij de geliefde niet kan laten bestaan.

Het sterkst is Al Galidi in de eenvoudigste verzen die op een volstrekt onnadrukkelijke manier voor zich mogen spreken. Zoals in de aanvangswoorden van het erg mooie gedicht ‘Voor heel even’ waarin glashelder de onvervulbaarheid van verlangen wordt weergegeven.

Voor heel even
wil ik ver van de mensen zijn,
en dicht bij de zee.
En liever nog
heel ver van de mensen,
en nog dichter bij de zee.

Wie op zoek is naar literair-technische hoogstandjes is met deze bundel niet aan het juiste adres. Maar hoogstaand en vernuftig zijn deze gedichten wel. Natuurlijk kan men hier en daar iets opmerken. Sommige gedichten overstijgen de spitsvondige, aforistisch geformuleerde gedachte niet. Af en toe komen er beelden voor die scherpte missen. Maar bovenal is het voor de lezer op een vreemd, mooie wijze psychisch ziek worden in deze bundel die zich met alle taalregisters verzet tegen de waanzin en de eenzaamheid van het bestaan. ‘Nee, ik wil deze bundel niet eindigen./Ik wil niet alleen blijven/op deze planeet.’ Het is aan de lezer om deze bundel nooit te laten eindigen.

(Poëziekrant 1, 2019)

Brief aan Jan M. Meier

Beste Jan M. Meier

Jouw woorden hebben me doen kijken, opnieuw doen kijken en zien. En in dat zien ontstaan kleuren en beweging en misschien ook wel iets wat – als het niet zo hoogdravend zou klinken – geluk had kunnen zijn. Of iets anders.

Jouw woorden verzinnen, creëren, bedenken, vullen alles met betekenis en willen de wens tot werkelijkheid. Poëzie is een voortdurend proces en kan, ook al verschijnt ze in de ogenschijnlijk definitieve vorm van een bundel, niet anders dan onaf zijn. Een gedicht is een voortdurende beweging waarin gedachten ontdacht worden, niets zeker is en alles mogelijk; zoals het leven een onvoltooide droom is.

Jouw woorden puren uit concentratie poëzie. Jouw woorden peilen naar dat ene woord, het diepzeewoord, en proberen de glans van dat woord te vrijwaren wanneer het aan de oppervlakte komt.

Jouw woorden herinneren, want om te bestaan en om te vinden moet je achterlaten.

Jouw woorden blikken en zwijgen vooruit op het geluk waarin lippen niets meer hoeven te zeggen.

Jouw woorden proberen het onnoemelijke licht dat gevormd wordt door alle kleuren te ontleden, zichtbaar te maken en te noemen. Jouw woorden tonen wat niet te zien is in de onzichtbare blik van de mens en zetten de wereld te kijk.

Jouw woorden zijn helderheid. Niet het morsige of de mist van het dagelijkse discours in doffe ramen. Jouw woorden zijn meester van hun taal. Als schoonheid vanbinnen schijnt, dan zijn jouw woorden vensters op de binnenkant van het bestaan.

Met vriendelijke groet

Jan Geerts

 

jan_m_meier