Trap

Iets wil herinnering zijn. Van stof tot nadenken
ben ik. Ik vergeet mijn slaap en ga de trap af

in mijn hoofd. Niet de nacht maar mijn gezicht
is donker. Ik moet gaan waar het op aankomt want

bij de minste twijfel kraakt en ontwaakt het huis.
De curve van mijn hand is mijn nachthouvast.

Mijn treden zijn geteld. Maar zoals verwacht verrast
de begane grond. De voordeur gooit een mes

van licht. De wind ranselt droge bladeren.
Ik ga de straat op, de openbare plek in mezelf,

en zie de vormen die mijn angst aanneemt:
erker, auto, stoeprand, park in de verte.

Als ik nu ga, wanneer zal ik dan terugkeren
naar het tijdstip waarin het huis verdwijnt?

(Verschenen in:
Deus Ex Machina 2004
Een volle maan met onze handen ernaast)

Advertenties

Je armen staan zich voor het raam

Je armen staan zich voor het raam
nog te ontsluiten. Je hoort iets weg-
tikken achter je rug. De kamer komt
nooit terug. De tijd is voorbij.

Geluk is buiten. Tussen de bomen
lopen kinderen. Een huis is hen te klein.
Je telt tot tien en roept hun naam.
Ze verstoppen zich om niet verloren te zijn.

Want wat niet weg is gezien.

(Verschenen in:
De brakke hond, 2003
Tijdverdriet en andere seizoenen)

Sneeuw

Ik zet het donker op een kier en laat de sneeuw
hemelsbreed de kamer binnen. Het is nacht.
De vloer is naakt en fluistert onder mijn voeten.
De lucht is van glas. Behoedzaam raap ik
de scherven op nog voor er iets gevallen is.

De slaap die ik niet kan vatten heeft de
vorm van je lichaam aangenomen.
Mijn hand hangt stil. Een vogel twijfelt
boven het landschap. Ik schuif de gordijnen
dicht en hoop dat alles weer in de plooi valt

(Verschenen in:
Gierik&Nieuw Vlaams Tijdschrift 2002
Tijdverdriet en andere seizoenen)

Weekmoed

Ik kijk naar buiten. Bloemen
op het raam. Alles staat in bloei.
Hartje winter. Mijn vinger schrijft
er een naam onder. En daarna nog een.

En dan verlaat ik het huis
waartoe ik behoor. Er is niets
meer te rijmen. Dat het zo koud
kon worden. Plots. Schoorvoetend

eerst, want zo geeft men ongelijk toe,
na berekening dat het nu wel moet
gaan, maar nog omkijkend, waag ik
me op het ijs. Het is barstensvol.

Ik probeer niet te denken aan de lucht
die onder mij dooit. Meeuwen
scharnieren tussen de broze wolken.
Hier, ergens. Nu, ooit.

(verschenen in:
Deus Ex Machina 2002
Tijdverdriet en andere seizoenen)