ik ben moe, zeg je

HLK ik ben moe licht bewerkt

(Het Liegend Konijn, 2017, nr. 1)

Advertenties

Zonder is het licht niet zacht genoeg – Sven Cooremans

Een paar vragen bij “Zonder is het licht niet zacht genoeg” van Sven Cooremans (Uitgeverij P).

Hoe werkt dat toch? Dat het schijnbaar achteloze zoals spruitjes en schorseneren, vrouwenbewegingen, zwarte gaatjesfolie en een winkelwagentje plots begint te resoneren, zoveel meer gaat betekenen en diep onder je huid kruipt. Plots ziet de wereld er anders uit en is niets gewoon nog wat het is. Misschien is dat poëzie.

En met welke woorden in je aders noem je de dingen dan? Vul je een glas en noem je het de zee hier blauw? En welke namen geef je aan de mens? Ademende aanwezigheid, lijven als gemoederen, wasberen, dagen of altijd iemand die flipt? Zou het dan toch waar zijn dat de taal gans het volk is?

Ook al blijft de vraag wat de lezer ontglipt, zoals bloed dat buiten zijn oever treedt, het vermoeden van een vogel of waarneembare geiten. Misschien dient poëzie daarvoor: dat we lezen en geloven dat de wereld bestaat; dat er een verlangen is, een nachtland, een noodzaak van zien, een hechtdraad van liefde die ons bij elkaar houdt in de 31-gedichtentijd van “Zonder is het licht niet zacht genoeg”.

Misschien zijn de dichters diegenen die niet enkel sporen van taal achterlaten, maar ze ook zorgvuldig voor zich uit strooien. Tussen de gordijnen, de kikker, het eiland, het koolzaad en de slagen (al dan niet vrij) wijst de dichter de weg, die geen weg is, maar een landschap overal om de lezer heen. Uit hoeveel woorden bestaat schoonheid, onversneden, puur? En wat is haar straatwaarde? Om te kunnen blijven beweren, helder en ruim. Het antwoord staat te lezen in “Zonder is het licht niet zacht genoeg”.

Loenhout

vrijheid is de naam van mijn geboortestraat
huis heet mijn moeder, open staan haar muren
nog altijd stroom ik het leven in, de dood uit

mijn vader sneed mij van het wilgenhout
dat zich over de beek aa boog, taal begon
te stromen, adem, zei mijn vader en nog

elke dag bouwt adem een nest, in mijn borst
woont de lucht en keren de zwaluwen
jaar na jaar terug, geboren ben ik al lang

niet meer, de tuin die de lakens in de zomer
droog zong is oud geworden, het dorp
dat de wereld klein was is nog een vuist groot

wanneer ik van steeds verdere reizen terugkeer
is het winter en eet mijn vader als een schichtig
reeënjong uit mijn hand, ik vertel hem waar ik ben

geweest, de handen van mijn moeder zwijgen
en verdwijnen steeds meer in de schoot
waarin ook ik ooit zal verdwijnen

(Verschenen in:
Poëziekrant, maart 2016)

Anna Karenina, Leo Tolstoj

Laat het boek beginnen met de beroemde zin “Het geluk van de een lijkt op dat van de ander, maar ieder ongeluk heeft zijn eigen bijzonder karakter.” Maar laat het boek – na dagen meeslepende lectuur – ook eindigen met zinnen die even bekend zouden mogen zijn.

eindedef

De n van toen

Na ruw geschat 1.280.000 letters, op 12 pagina’s van het einde van “Anna Karenina” (oude druk, zedelijke kwotering III, uitgeverij S.V. Arbeiderspers, Brussel, geen jaartal vermeld, gekregen van mijn vader omdat de letters voor hem te klein geworden zijn) denk je even: het gaat mis. Maar dat doet het net niet. Eén letter verzet zich tegen de regeldwang en gaat zijn eigen gang, laat zich even lui onderuit zakken, trekt zich niets aan van de rest, en eist zijn volstrekt unieke plaats op in het boek. Soms zijn letters ook maar mensen. En omgekeerd.

Toen foto