Een oefening in empathie (bij ‘De Klaverknoop’ van Paul Demets)

de klaverknoopOp zoek naar betekenis lijkt Paul Demets een bijzondere belangstelling te hebben voor de paradox. Men kleedt zich op om iets bloot te geven. Een stoel die niet beweegt, schuift door de kamer. Liefde is woede. Iemand duwt iemand anders van zich af om die persoon aan te halen. Het is duidelijk dat de paradox niet gebruikt wordt om dingen nodeloos complex te maken, maar dat het hier gaat om een fundamenteel levensgevoel. De Klaverdroom gaat over het hoogte krijgen van elkaar én de grond vinden om hier te staan. De tegenstrijdigheden van het bestaan worden niet opgeheven, maar wel dichter bij elkaar gebracht en verhevigd in de taal. In het voortdurende spel met letterlijke en figuurlijke betekenissen van zinsneden krijgen dingen onvermoede betekenissen. Wat éénduidig leek, wordt meerduidig. Wat de lezer voor waar aannam, begint te schuren. Tot in de ordening van de verzen speelt de paradox: ‘haar lippen verzoenen / mij niet.’

Op zoek naar wie we zijn, vervaagt de grens tussen onszelf en de wereld om ons heen. Handen worden blokken marmer, een neus wordt een kraai. De mens in deze gedichten lijkt nu eens te verworden tot processierups, dan weer tot haas of vis. Zaaigoed groeit uit tot vluchtelingen. Het persoonlijk voornaamwoord in Demets’ poëzie krijgt vaak iets onpersoonlijks, of beter gezegd: iets vloeiends. De ‘ze’ in de cyclus Eigenheimer kan verwijzen naar muggen, regendruppels, bouwvakkers, duiven… Het bepaald lidwoord in de cyclus Vaderrol krijgt iets onbepaalds. Hierdoor gaan de gedichten verschillende richtingen uit en verlegt de lectuur zich voortdurend. Als lezer moet je op je hoede zijn. De woorden, en met hen de lezer, worden in steeds nieuwe gedaantes gedwongen. De Klaverknoop is bij uitstek een oefening in empathie. En daar kan ons tijdsgewricht iets van leren.

Op zoek naar betekenis komt de lezer harde verzen tegen. Er is bloed, er wordt vermalen tussen kaken. Nagels zijn een klauw. Er is afstand en het klappen van de zweep. Lippen worden verbeten. Voor de kinderen wordt onheilspellend goed gezorgd in een dichtgemetselde kelder. Een wandeling in de natuur wordt mogelijk explosief. Maar in de cyclus Reisgezel wordt ook samen geklommen en gewacht tot de ander bij je kan komen. ‘Zoals het is, wil ik het bewaren’ schrijft Paul Demets. Daar gaat iets troostends vanuit. Deze poëzie observeert minutieus, oordeelt niet, kiest geen kant, houdt alles tegen het licht van de taal, beseft dat ‘niets woekert zonder reden’ en erkent de dingen in wat ze zijn.

‘We haperen voortdurend’ staat ergens geschreven. Dat doet ook de lezer. Dit is poëzie die je stil doet staan en die je doet herlezen. In één van de gedichten wil men kauwen begrijpen, ‘maar ze laten ons alleen wat dichter komen.’ Zo is het ook met deze gedichten. Er zijn geen sluitende antwoorden, eenzijdige oordelen of waarheden. Samen met de dichter tast de lezer een werkelijkheid af die weerbarstig is en zich als bramen aan ons vast haakt. Zoals het leven is poëzie een voortdurend onderweg zijn. ‘We kunnen met verworden niet stoppen.’ Als lezer en als mens moet je vermeende zekerheden kunnen loslaten. ‘Aan vasthouden, valt niet te beginnen.’

Advertenties