Een eindeloze traagheid (bij ‘Stilte in mij’ van Marleen De Crée)

stilte in mij marleen de creeHet eerste gedicht uit “Stilte in mij” eindigt met het woord ‘verlies’. Het laatste gedicht met ‘moedervlek’. Tussen die twee woorden schetst Marleen De Crée ‘een vloeibaar droompad’ uit waarin ze wat onwerkelijk lijkt – het eerste woord van de bundel is ‘alsof’ – probeert te vatten en werkelijk maakt.

In de eerste cyclus van tien gedichten krijgt de lezer bedrieglijk eenvoudige beelden voorgeschoteld. Zo zit er in een vers als ‘lakens als een open veld in een kamer’ vredigheid en warmte, maar ook leegheid en koude. Het beeld van de stilte die sluipt, glijdt, aanblaast, zweeft, deuren sluit… is zo prominent aanwezig dat het een persoon lijkt te worden, een persoon naar wie verlangd wordt.

De verzen zijn kaal, kort, aarzelend en vaak elliptisch. Sommige zinnen worden niet afgemaakt. Er wordt veel weggelaten. Er zit verlies in deze gedichten – verlies dat voorzichtig en met trage blik afgetast wordt. Op die manier slaagt Marleen De Crée er wonderwel in om winst te puren uit dit verlies. Pas in het laatste gedicht van de eerste cyclus waagt de dichter zich aan voorzichtig geluk: ‘toen leek het alsof ze lachte’.

Tegenover dit verlies staan de zintuiglijke, aardse en dus erg tegenwoordige verzen die lijken te compenseren wat/wie er niet meer is. De natuur en de stad in deze gedichten zijn veel meer dan een decor. Ze verbeelden datgene waar de dichter haar vinger op probeert te leggen, datgene wat zich bevindt tussen droom en wereld, de persoon die er nog lijkt te zijn en er tegelijk niet is. Tussen de gedichten klinken voortdurend echo’s. Perspectieven, nuances, betekenissen, draagwijdtes worden verlegd. Alsof Marleen De Crée in een concentrische beweging dichter probeert te komen bij datgene waar het allemaal om draait. In de herhalingen bezweert zij de leegte en de tijd. Met haar woorden tracht Marleen De Crée de dingen eindeloos te maken. Of zoals ze het zelf schrijft: ‘tussen de woorden groeide een eindeloze traagheid’.

En dan moet de tweede cyclus van drie gedichten nog beginnen waarin ‘de tijd’ plaats lijkt te maken voor wat ooit ‘onze tijd’ was, waarin de korte, zoekende verzen plaats maken voor lange zinnen met herinneringen, waarin verstilling op zoek gaat naar haar onstuimige antipode, waarin de ‘grijze weiden’ en ‘koude steen’ plaats maken voor ‘warme aarde’, waarin er naast de stilte ook plaats is voor ‘zingen’. En dat is wat deze bundel doet. Zingen voor wie er niet meer is; op een ingetogen en trefzekere manier.

En daarbij horen schetsen van Goedele Peeters. Het zijn variaties op hetzelfde thema. Lege landschappen zijn het. Hoeveel er ook te zien is, er lijkt ook telkens iets te ontbreken. Een mens bijvoorbeeld. Je ziet de stilte. Sommige afbeeldingen verbergen niet dat het schetsen zijn, zoals de gedichten van Marleen De Crée dat ook zijn. Pogingen om het onnoembare te benoemen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s