Bij “Naar het gras” van Bernard Dewulf

naar het grasEr wordt veel gekeken in deze bundel. In de spiegel. Uit hoge ramen. Er is een Poolse emigrante die staart ‘naar het einde van het lange water’ waarachter Canada ligt. Er is het kijken ‘van iets dodelijks’ in de ogen van een pop. Anita kijkt ademloos en in koud strijklicht wordt er gloeiend gekeken.

In “Naar het gras” houdt Bernard Dewulf de wereld tegen het licht en ziet hoe de dingen om hem heen bestaan. Water zingt en lacht. De wind is een oud en dartel kind dat danst in de hazelaar. Een blauwe jurk ligt te slapen over het water. De jaren lopen. De kamer houdt mensen samen.

De lijfelijke aanwezigheid van de dingen is vanzelfsprekend. De dingen hebben geen poëzie nodig. Zij zijn wat ze zijn. De mens daarentegen lijkt gedoemd om te kijken. En hoe hij ook kijkt, vooruit of terug, uiteindelijk ziet hij maar één ding: de dood. In deze gedichten is het ouder worden prominent aanwezig. Het ouder worden dat het einde steeds dichterbij brengt en van het leven steeds meer een schermerzone maakt ‘waar niemand is waar hij dagelijks bestaat’. De dichter is zich bewust van zijn eindigheid. Hij vangt het gerucht op dat hij al ontbreekt. De doden worden al aangeraakt en hij hoort de oude, overleden dichters – Paul van Ostaijen voorop – zingen en fezelen. In deze bundel is het waardig oud worden: de waarde erkennend van wat ons omringt. Met open ogen.

Nergens is afscheid zo nadrukkelijk aanwezig als in het lichaam en het bijhorende beminnen. Dewulf kleedt dat lichaam uit en probeert het in al zijn naaktheid te droogronden om tot de constatering te komen dat men ook in het lichaam niet thuis is. Dat het lichaam een vergissing is en dat we slechts rakelings naast elkaar bestaan.

Pas wanneer we worden aangeraakt door het licht, leven we, kunnen we liefhebben en verworden tot ‘de laatste bedelaars van elkaar’. Deze poëzie suggereert dat het met taal niet anders is. Om de naaktheid van de mens te tonen, bekleedt Dewulf hem met woorden. Men is pas lichaam ‘als iemand er iets tegen zegt’, stelt de dichter. De eenzamen ‘wandelen sprakeloos door onze straten’. Taal redt ons van de afwezigheid. Taal scherpt onze contouren. Je moet van iemand horen dat je bestaat.

Zoals de wind met zijn ‘eeuwig drentelen om een moment’ zo verandert het licht voortdurend. Zo verandert ook de taal. Hoe genadeloos precies de dichter ook tewerk gaat, hij lijkt te beseffen dat woorden niets anders kunnen doen dan falen en dat wat beschreven wordt altijd ‘afkomstiger van elders’ zal zijn en de geliefden niet meer dan een gerucht zijn, ‘de galm in onze kamer’.

In de gedichten van Bernard Dewulf wordt er ‘onhoorbaar gezongen’. In de ogenschijnlijk alledaagse taal zingt de poëzie in de anaforen, in het subtiele enjambement, in het oxymoron, in de assonanties en de alliteraties. De taal is soepel en zo helder dat ze soms transparant lijkt te worden, waardoor het lezen soms op lijkt te houden met lezen te zijn en een vorm van zien wordt. “Naar het gras” is een oefening in dat zien. De titel van de bundel staat ook in braille op het voorplat. Waardoor je niet enkel leest, maar ook kijkt en wil voelen. En dat is wat deze poëzie doet. Lezen wordt kijken en voelen met elke vezel, met heel het hart, met de lust van ons lijf, met heel het verstand en alle zintuigen, met het verleden dat in onze kamers woont, met ‘het zingen van licht dat naar ons tast’.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s