Brief aan Jan M. Meier

Beste Jan M. Meier

Jouw woorden hebben me doen kijken, opnieuw doen kijken en zien. En in dat zien ontstaan kleuren en beweging en misschien ook wel iets wat – als het niet zo hoogdravend zou klinken – geluk had kunnen zijn. Of iets anders.

Jouw woorden verzinnen, creëren, bedenken, vullen alles met betekenis en willen de wens tot werkelijkheid. Poëzie is een voortdurend proces en kan, ook al verschijnt ze in de ogenschijnlijk definitieve vorm van een bundel, niet anders dan onaf zijn. Een gedicht is een voortdurende beweging waarin gedachten ontdacht worden, niets zeker is en alles mogelijk; zoals het leven een onvoltooide droom is.

Jouw woorden puren uit concentratie poëzie. Jouw woorden peilen naar dat ene woord, het diepzeewoord, en proberen de glans van dat woord te vrijwaren wanneer het aan de oppervlakte komt.

Jouw woorden herinneren, want om te bestaan en om te vinden moet je achterlaten.

Jouw woorden blikken en zwijgen vooruit op het geluk waarin lippen niets meer hoeven te zeggen.

Jouw woorden proberen het onnoemelijke licht dat gevormd wordt door alle kleuren te ontleden, zichtbaar te maken en te noemen. Jouw woorden tonen wat niet te zien is in de onzichtbare blik van de mens en zetten de wereld te kijk.

Jouw woorden zijn helderheid. Niet het morsige of de mist van het dagelijkse discours in doffe ramen. Jouw woorden zijn meester van hun taal. Als schoonheid vanbinnen schijnt, dan zijn jouw woorden vensters op de binnenkant van het bestaan.

Met vriendelijke groet

Jan Geerts

 

jan_m_meier

Advertenties

Brief aan Fatena Al-Ghorra

Beste Fatena

Ik heb gedaan wat je vroeg. Ik heb je je lichaam tot mij genomen. Het was getooid met woorden, sieraden van woorden.

Ik heb je gedichten opengevouwen en gezien dat de mens oorlog is – een lichaam vol gaten en holtes, versplinterd vanbinnen, onder dikke lagen stof en vloeiend in rode rivieren. Ik las hoe pijn omarmd wordt en als suiker gezaaid. Hoe doet een mens dat: uit angst en verdriet een overweldigende zachtheid laten groeien?

Ik heb je gedichten opengevouwen en het hart horen kloppen in een cel van verroest ijzer, opgevreten door motten of uiteengevallen in rozenblaadjes. Een slaaf is het hart, gekneed in een beschadigde schaal. Hoe houdt een mens het hart gaande, dat het blijft slaan en niet ophoudt?

Ik heb je gedichten opengevouwen en geluisterd naar de gillende geesten en het jankend gebed. Ik hoorde een kleine, huilende, verdrietige en vermoeide god in het duister van nostalgie. Of waren het insecten in mijn hoofd, of gewoon de wind? Hoe kan er ooit nog stilte zijn?

Ik heb je gedichten opengevouwen het gemis gevoeld van een vader die het begint bewoont. Een vader die de klaprozen met bloed kleurde en wegging. Hoe komt het toch dat wat we mensen moet kwijtraken om te weten wie ze waren?

Ik heb je gedichten opengevouwen en geproefd van de liefde, de granaatappel, de zuivere honing en de ongekende nectar. Ik lag in vertrouwde armen van koper. Ik was de nieuwe man voor wie jouw lichaam wiegde. Mijn geur droeg je naar het verlangen. Hoe komt het toch dat we uiteenvallen in elkaars armen en alleen slapen?

Ik heb je gedichten opengevouwen en rondgelopen in de straten en steegjes, tussen de doornen en de spiegels van de ziel. Ik heb het vuur van het geheugen gevoeld. Ik heb de zee gezien die zich opent, omarmt en troost. Hoe komt het dat de tocht altijd maar verdergaat?

Ik heb je gedichten opengevouwen. Ik heb mijn handen op je woorden gelegd. Ze waren nog warm. Ze gingen zacht op en neer. Ze waren voorzichtig en helder. Ze waren alles.

Warme groet

Jan

Al-Ghorra-Neemditlichaam