“Schots en scheef sta ik in de wereld” (bij Fantoommerrie van Marieke Lucas Rijneveld)

fantoommerrieMet haar tweede bundel Fantoommerrie heeft Marieke Lucas Rijneveld een indringend mooie bundel geschreven waarin ze met een heel eigen stem ontleedt wie ze is, in welke onvolmaakte wereld zij leeft en wat ze kan betekenen. Ze toont de mens en de nietigheid van zijn/haar verlangens en angsten en doet dat op een manier die confronteert, charmeert, prikkelt en ontnuchtert.

In Fantoommerrie wordt een allesbehalve idyllische plattelandswereld geschetst. ‘Aan de rafelranden van het leven’ zijn de ruggen van de mensen gekromd, dingen gaan stuk en overal is er dreiging. Moeders zijn luizenmoeders die bestreden moeten worden. Een vader wil zijn dochter doppen zoals hij dat met de bonen doet, ‘de harde uiteindes eraf halen en haar doormidden breken’. Het hart is de ene keer een koelelement, de andere keer de schroeiplek die een strijkijzer achterlaat op een hemd. De dood is prominent aanwezig en wordt in het kinderspel geoefend (‘de legotrein die / door mijn slaapkamer rijdt waar ik iedere avond de sprong oefen’). ‘Wat niet meer te lijmen is’ en de zoektocht naar orde en stabiliteit, daarover gaat deze poëzie.

Het perspectief in de gedichten is veelal dat van een kind dat opgroeit in een vaak beklemmend milieu waarin emoties verstikt worden als in een stropak met een touw eromheen. Angst voert de boventoon in deze bundel en is aanwezig in de monsters die met melk onder tafel gedronken moeten worden, de dino’s in het donker, schuld en zelfhaat, vrijheid, de eigen kwetsbaarheid (‘Het breekbare in ons is zo slordig gelijmd dat het wankelen ons bang maakt’). Angst zit verankerd in het lichaam met zijn verboden genot en diffuse genderidentiteit. Zo belichaamt het meisje de jongens van de voetbalplaatjes en verstopt ze onderhuids spierballen. Als kind speelde de dichter vluchteling ‘in eigen lichaam /…/ op zoek naar betere huisvesting’ en ‘iemand fluistert Lucas, Lucas, en ze bemint meteen de hand die haar streelt’. Het ideaal dat geschetst wordt, is dat van de garnaal die zonder twijfel en zonder nadenken van geslacht verandert. Voor de ‘tussenmens’ lijkt er in deze wereld geen plaats.

Op alle mogelijke manieren probeert de dichter te ontsnappen aan de onvolmaaktheid die haar omringt. De belangrijkste sport die beoefend wordt, is die van het wegrennen. Er wordt verlangd naar een donker romantische sprookjeswereld, naar de lichtheid van vlindervleugels en de onoverwinnelijke heldenrol die kinderen spelen. Men hunkert naar verlossing, waarbij de rol van God uitgespeeld lijkt te zijn. Hij blijft onverschillig als een aanloopkat of is gereduceerd tot een vogelverschrikker terwijl in de hemel ‘grijze duiven hangen als verwaaide grafdoeken’. Er wordt verlangd naar een warme blik en bewegingen die veranderen in een omhelzing, terwijl op selfies de perfectie wordt nagebootst: ‘zie ons fantastisch en geil en nooit twijfelen’. Ook in de voortdurende hypersensitieve identificatie met wat de dichter omringt, zit escapisme. Een haas, een snoek, een aardappel, blokjes oude kaas… in haar zoektocht naar erkenning en gemoedsrust is de dichter het allemaal geweest.

Er zijn zeldzame momenten van rust en evenwicht, maar altijd is er de angel van negativiteit. Wanneer men gewiegd wordt, gebeurt dit als was men een zak diepvriesdoperwten. Liefhebben gebeurt zodanig ‘dat het zeer doet aan onze botten’ en de zon die ‘mijn lief karnemelkmeisje’ fluistert is ‘de klootzak der klootzakken.’ Ook het zoete eten waarin troost gezocht wordt, is erg dubbelzinnig; zoals in het onderstaande fragment over de moeder waarin het schuursponsje op het einde letterlijk en figuurlijk voor wrijving zorgt.

maar zodra het huis weer zoet ruikt, het
evenwicht tussen citroen en suiker goed verdeeld is, maakt
ze van haar lichaam een verjaardag, er mag gemorst worden,
gestoeid en omhelsd, haar hoofd een ballon die niet opstijgt,
een blij gezichtje erop getekend dat enkel met een
schuursponsje te verwijderen is.

Uiteindelijk is er het besef ‘van de leegte van iets dat ooit wat had kunnen worden’ en geraakt de leenpoes die wegliep omdat niemand haar de liefste en de beste vond niet verder dan de straat die met haar doodloopt. De mens in de gedichten van Rijneveld kan zich niet losmaken van zijn/haar omgeving en slaagt er amper in om over zichzelf te beschikken. Het vergeefs verzet en de aandoenlijke pogingen om in het reine te komen met het bestaan; daarin schuilt de tragiek van deze bundel. Deze gedichten roepen de vraag op of de dichter het gezochte geluk durft toe te laten, of wordt ze verlamd door de angst om te verliezen?

De vorm van de gedichten, die zonder opdeling in cycli gepresenteerd worden, lijkt willekeurig. Met hun lange verzen geven de gedichten een prozaïsche indruk. Als er toch strofen zijn, lijkt de opdeling niet inhoudelijk ondersteund, alsof de dichter niet verder komt dan een visueel evenwicht dat de chaos van het leven moet maskeren. Deze poëzie ontvouwt zich in lange meanderende, associatief opgebouwde zinnen die zorgen voor een dwingend ritme dat de angsten en onzekerheden lijkt te moeten bezweren. Anderzijds is de taal precies en afgemeten. Geen enkel gedicht laat zich parafraseren zonder betekenisverlies. Heel wat zinnen in Fantoommerrie zijn onaf, ongrammaticaal of elliptisch; zonder dat ze duister of richtingloos worden. Met haar ontwrichte taal peilt deze poëzie nauwgezet naar de dingen die niet in gewone taal te vatten zijn en belichaamt ze ook syntactisch het manke bestaan. Of zoals Rijneveld zelf schrijft: ‘Vanaf toen schreef ik niet meer binnen de lijntjes en werd ik een hanepoot, schots en scheef sta ik in de wereld.’

Waar Rijnveld ongeëvenaard in is, zijn de scherpe, veelzijdige en verrassende beelden die vertrekken vanuit kleine, aardse indrukken en onvermoede betekenissen laten oplichten. Wat te denken bijvoorbeeld van de kat die in een stro-pers terecht komt: ‘als een slagroomzak leeggemaakt, gladgestreken tot een sterk verhaal.’ Of ‘de moeder die even lang huilt als dat / de appeltaart in de oven moet om een stevige korst te / krijgen.’ Door de beelden, die Rijneveld zonder hiërarchie naast elkaar plaatst, slaat de taal haar tentakels in alle richtingen en krijgt de lezer soms bevreemdende taferelen voorgeschoteld waarin taal en werkelijkheid met elkaar versmelten en waarin, bijvoorbeeld, een pak cornflakes naast wat eenzame woorden staat.

Hier en daar kan je een opmerking maken. Je zou kunnen zeggen dat de bundel thematisch eerder beperkt is waardoor de gedichten na een tijd enigszins herhalend overkomen. Heel zelden is er een minder sterk beeld (‘de afzuigkap van zijn onvermogen’) of wil een beeld groter zijn dan zichzelf waardoor het inboet aan zeggingskracht; zoals in ‘in je pyjama zitten stellaire zwarte gaten door mijn gewicht uitgedrukt in zonsmassa’s die op je leunden.’

Maar bovenal is Fantoommerrie een waanzinnige en vaak gruwelijk mooie dichtbundel die naar de keel grijpt. Dit is complexe poëzie waarin angst en verlangen, dood en leven, taal en stilte, fantasie en werkelijkheid elkaar tegenkomen. De lezer die aan deze gedichten begint, is gewaarschuwd:

Wat volgt
is langdurig met een arm om haar heen door de nacht worden geloodst
zonder schip noch wal maar ergens aan boord.

(Poëziekrant 2, 2019)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s