Onderdak (bij ‘Een kamer met een tafel en schrijfgerei’ van Ivo van Strijtem)

In Een kamer met een tafel en schrijfgerei bezingt IVO VAN STRIJTEM het leven dat zich weert tegen ouderdom en afscheid. Dat levert een erg gevarieerde bundel op met uitgepuurde gedichten waarin veel meer te lezen valt dan men op het eerste gezicht zou vermoeden.

In deze bundel is er een dubbelzinnige fascinatie voor de dood. In het gedicht ‘Een uithoek’ wordt er gevlucht ‘als het stapvoets donkert in en rondom mij’, maar er wordt ook verlangd naar de dood. De dichter creëert zijn ‘eigen kleine Ispahaan’ waar hij door een lijster in slaap gezongen wil worden. De doodsdrift roept ook die andere drift wakker, de eros. Deze poëzie blaakt van levenszin. Altijd is er de vrouw, de natuur, de zinnelijkheid van het bestaan en alles wat ‘mooi begeerlijk aandoenlijk en aaibaar’ is. Tegenover ‘de breekbare regen’ en ‘het snikken van de tijd’ staan ‘de binnenkant van je dijen, je kut’. De liefde fungeert in deze gedichten niet enkel als tegenpool, maar ook als zielsgenoot van de dood. Misschien, zo vraagt van Strijtem zich af, bedrijft de dood de kleine liefde, zoals de liefde soms leidt tot de kleine dood.

Het boeiende is dat de dood niet als einde gepercipieerd wordt. Bij van Strijtem wordt de dood een proces, een denkoefening. In ‘Sterven, acht etudes’ wordt Jezus ter sprake gebracht die, ‘zeker van zichzelf’ de dood ‘naar de prullenmand verwijst’. In dezelfde cyclus is sterven een reis naar China, maar dan verder. En ergens anders wordt gezegd ‘Sterf ik vandaag / dan begin ik morgen opnieuw.’ Hoe aanwezig de dood ook is, een einde is ze voorlopig niet.

Het geflirt tussen eros en thanatos wordt een driehoeksrelatie met de poëzie erbij. Deze bundel is een hartstochtelijk pleidooi voor poëzie die een onderdak biedt aan het menselijke, het kwetsbare, het onvolmaakte. Poëzie is adem, een manier om zichzelf te verzamelen en een houding te zoeken tegenover het bestaan. ‘Het innige weten’ of ‘het beknopte leven’ noemt de dichter haar. Met de liefde heeft poëzie, volgens van Strijtem, gemeen dat ze ‘een soort van helderziendheid’ is die dingen waarneemt die aan onze alledaagse blik ontsnappen. Ook al beseft hij dat noch de geliefde, noch de wereld zich laat inpalmen: ‘omdat je haar toch niet / kan vatten want altijd meer is’. Wat rest is het bezingen van ‘het oningeperkte / het onvermoeibaar altijd andere / de schoonheid’.

Dat ‘oningeperkte’ zit ook in de taal zelf die bedrieglijk eenvoudig oogt, maar op subtiele manier ontregeld wordt. Van Strijtem zelf heeft het over ‘doelgerichte afdwaling’. Vaak worden leestekens weggelaten en moet de lezer zinnen ontdekken in de verzen. Hierdoor verlegt de betekenis zich voortdurend. Er is veel taalspel dat nooit vrijblijvend is. Er zijn bijvoorbeeld de spreektaalidiomen die vaak letterlijk worden gebruikt. Zo betekent ‘de laatste tijd’ niet enkel onlangs, maar ook letterlijk de tijd waarna er geen andere tijd meer komt. Of ‘verhuizen’ betekent hier ook: veranderen in een huis. Veel gedichten zijn doorvlochten met Bijbelse beelden. Hierdoor creëert van Strijtem een mythische wereld waarin de tijd, en ook de dood, opgeheven worden en waarin onvermoede en verrassende betekenissen resoneren. Zo lijkt in deze bundel van een vijfenzestigjarige dichter de kindertijd nooit op te houden en is een braambos een Bijbels motief, maar ook een gehucht in Lennik of napalm in Vietnam.

Met milde humor, relativering en wijsheid houdt de dichter zichzelf en het bestaan tegen het licht. Van Strijtem hanteert een zinnelijke, lyrische taal. Alsof hij een geliefde streelt, raakt hij met zijn woorden de wereld en de lezer even aan, tot de zinnen in al hun eenvoud beginnen te zingen.

(Poëziekrant 3, 2019)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s