In beweging (bij ‘Ware aard’ van Jan-Willem Anker)

ware aardIn Ware aard gaat JAN-WILLEM ANKER op zoek naar zijn identiteit en die van de wereld om hem heen. Dat lijkt een statisch en definitief gegeven, maar dat is het allerminst. Of het nu over de liefde, Europa, poëzie of het klimaat gaat; de werkelijkheid is voortdurend in wording en haar betekenis is een dynamisch proces waarvan ook deze ideeënrijke bundel een mooi voorbeeld is.

De dualiteit tussen zijn en worden tekent deze gedichten waarin elk resultaat wordt beschreven als ‘een nieuw begin’. ‘Ik /…/ verwerkelijk me / onaf, volmaakt wannabe’ is Ankers paradoxale typering van zichzelf in het begin van de bundel. In de cyclus ‘Ik ontplooi mezelf’ kijkt Anker met mildheid terug op de zinnelijkheid en de blijmoedige roes van de jeugd die baas denkt te kunnen spelen over de tijd. Hoezeer hij die jeugdige vitaliteit nog altijd probeert te beoefenen (‘Jumpstart je dag!’), toch steekt melancholie de kop op: ‘Soms rouw ik, ineens, voortijdig / om het vergaan van alles’. De doodsangst wordt bezworen door het lampje op de nachtkast aan te knippen. En de beloftevolle euforie (‘Allebei waren we schatrijk aan tijd.’) heeft plaatsgemaakt voor de negatief geformuleerde raad ‘ontloop je impasse’.

Vanuit het besef van eindigheid wordt de uniciteit van de dingen gekoesterd. ‘maak komaf met je willekeur en vang aan’ spreekt de dichter zichzelf toe. Hij is zich ervan bewust dat er hier en nu geleefd moet worden en wil zich zo open mogelijk stellen voor de wereld. ‘Wie zich ontvankelijk denkt wordt / gewaar’. Zo leent hij ‘een cursus Italiaans / voor beginners, omdat ik altijd weer / onwetend wil zijn’. Dat onwetend zijn, betekent niet dat Anker blind is voor wat er in de wereld gebeurt. Het Italiaans roept niet enkel ‘de glorie / van een zonsopgang boven Napels’ op maar ook ‘een hand / die uit het water steekt bij Lampedusa.’

Wanneer de dichter in Weesp een plek vindt om te aarden, dan beschrijft hij die plaats als ‘thuisbasis / in transit’ waar hij zich ‘nog steeds oningeburgerd’ nestelt. De cyclus ‘Ware aard’ staat bol van erg herkenbare observaties van het dorpse leven (het ballenbad, de supermarkt, de voortplanting die is volbracht, de wolken, een reiger, het ‘doe-het-zelfgeluk’, de dagelijkse ratrace op de fiets tussen crèche en station). ‘Mijn huisnummer is doorsnee maar goed’ stelt hij vast. Anderzijds herkent hij in zijn nieuwe woonplaats het ‘verraderlijk bedaard / elusieve’ en is ook Weesp een plek in wording, een ‘universum dat ter plaatse uitdijt’ waarvan de betekenis niet eenduidig is: ‘Weesp heeft het, maar wat eigenlijk?’ Uiteindelijk gaat het dorp Weesp ook over hemzelf. ‘Ik lokaliseer mijn geluk’ schrijft Anker, geluk dat hij lijkt hij te vinden in de onthechting van shoshin. ‘Ik moet juist leren ademen alsof ik / pauzeer, het leven een aankomst die van geen / ophouden weet, waar je ook bent nog niet bent.’ En: ‘Wie gelukkig is hoeft niet meer te weten / waar hij is. Je ware aard droom je zelf uit.’

In de ecologisch erg urgente cyclus ‘Nieuw weer’, die integraal onderdeel zou moeten worden van het klimaatdebat, wordt de vraag gesteld ‘Hoe richten we ons op in een uitgewoond terrarium?’ Hoewel klimaatopwarming soms niet meer is dan ‘spektakel’ en we zuchten ‘om eigen wolk, najaarsbui, opklaring’; en ook al zijn we ‘met open ogen / verblind’ en geraken we niet verder dan onze ‘eigen grijze woestenij’, toch zijn de signalen duidelijk. ‘Seizoenen vloeien over de kalender uit.’ ‘Het weer heeft zijn onschuld verloren’ en ‘Voor hij begint is de winter steeds eerder weg.’ In een veranderend klimaat, verandert de mens mee en moet hij zich herpositioneren. De ‘klimaatkoorts die me bevangt’  is, ook nu weer, een ‘onafwendbaar begin’. Anker laveert ‘tussen gesel en daad’ en beseft dat hij licht moet worden en ‘het gewicht / van (z)ijn adem leren kennen’. De shoshin van Weesp wordt nu ‘planetaire ascese als noodopdracht’. Ondanks het feit ‘dat het spookt’ wil Anker in de mensheid geloven en in beweging komen (weer die dynamiek) voor ‘al het goede dat in ons gloort.’

Ook de liefde is een voortdurend proces dat niet eenduidig af te bakenen is: ‘van victoriaanse uitspatting / tot sadistische tederheid’ of gewoon een ‘dagelijks klusje’. Ook al heeft hij de naam van de geliefde in een boomstam gekerfd, Anker blijft zich afvragen wie ze is. In de bundel zijn boeiende parallellen te vinden tussen het schrijfproces en de liefde. Wat over het schrijven wordt gezegd (‘Dan wil ik ter plekke omhelsd worden’ en ‘de enige normale manier om iemand nog / aan me te binden, iets langer bij me te houden’) gaat evenzeer op voor de liefde. Beide zijn een ‘rituele dagtaak’ die het individu knechten in een bepaald regime. Beide verwerkelijken zich in een proces van nemen en loslaten: ‘wat ik afdwong / werd pas werkelijk toen ik mij overgaf’.

De indrukwekkende cyclus ‘Europese getuigenissen’ sluit de bundel af met reisverslagen die men niet vindt in een toeristische brochure en waarbij het gaat over wie de dichter is, was en had kunnen zijn, en hoe in onze blik de wereld betekenis krijgt of verliest. Zo is vanuit het vliegtuig de Middellandse Zee met alle leed daarin niet meer dan een ‘blauwe tegel’. Overal waar de dichter gaat, komt hij ook zichzelf tegen. Zo eet hij in het aangrijpende gedicht ‘Oşwięcim (2001)’ ‘met een vaag besef van de erfzonde, een gevoel van vrees en schaamte’ een broodje na een bezoek aan Auschwitz en sluit hij de dag neukend af ‘als een misplaatste / noodgreep om het bestiale in ons koest te houden.’ In deze cyclus worden persoonlijk geluk (‘Bevoorrecht smaken we ons geluk’) en het gevoel van vrijheid (‘wilde ik wel alle kanten tegelijk opzwemmen’) voortdurend gecounterd door weinig idyllische beelden (‘Wie woont hier vrijwillig?’), melancholie (de mens als ‘een droevig ding van zichzelf’) en het besef van eindigheid (‘De bejaarden die ons zagen zwemmen zijn al dood.’) Anker sluit deze cyclus af met de conclusie ‘Uit mobiliteit groeien nieuwe vergezichten, / zo groot dat je moet stilstaan om ze te zien.’

Dat dynamisch stilstaan bij de dingen is wat deze gedichten kenmerkt. Beschouwend, bevragend, aftastend en reflecterend probeert Anker met een scherp oog de wereld en zichzelf te doorgronden. Dit is poëzie die uitnodigt tot nadenken en de lezer meer dan eens met een doortastend inzicht confronteert. De bundel staat vol aforistisch geformuleerde verzen die met hun soepele, ongedwongen stijl zelden boodschapperig overkomen. Anker weet engagement naadloos te combineren met poëzie doordat hij altijd vertrekt vanuit precieze observaties, rake verwoordingen en beelden. Deze gedichten hebben lef. Ze zijn nooit cynisch of ironisch afstandelijk. Ware aard is een integere, kwetsbare bundel waarin je op een authentieke manier een mens tegenkomt die zich laat raken door wat hem omringt en die zich ‘Te pas en te onpas ausculteerde’. Anker luistert voortdurend naar zijn eigen hart en dat van de wereld en vertelt ons hoe het met ons gaat.

‘Hoe gaat u verder?’ is de vraag die de dichter wordt voorgeschoteld in het begin van de bundel. Het is ook de vraag die de lezer na het lezen van deze gedichten aan zichzelf kan stellen. Het is immers moeilijk om onbewogen te blijven bij poëzie als deze.

(Poëziekrant 4, 2019)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s