Van wat de mens gemaakt is (bij Keto Stiefcommando van Thomas Lieske)

Keto Stiefcommando van THOMAS LIESKE is een meerstemmige en uiterst boeiende bundel over de ontheemde mens die, achter de vuilniswagen van het dagelijkse leven, wil ontsnappen aan de vergetelheid en op zoek gaat naar zijn/haar plaats in de geschiedenis. Om bescherming af te dwingen en betekenis te geven aan hun leven spiegelen de Afrikaanse jongens van de Rue du Faubourg Saint-Denis in Parijs zich aan de levens van westerse fictieve en historische figuren.

In het raamverhaal van deze bundel loopt, onder leiding van de met messiaanse allures beklede Keto Stiefcommando, een kleurrijke stoet van drinkende en zingende Afrikanen als ‘een vlieëvang met swart klaosse vlieë’ achter een vuilniswagen door Parijs naar de kathedraal van Saint-Denis. Daar ligt Kame Tristan, één van hun voorvaders, begraven naast ‘de helden van de foie-gras-eters’. Uit oude tijdschriften verzamelen de Afrikanen artikels en foto’s van blanke helden wier kindertijd bezongen wordt door vier dichters (Hercuul, Damn Good Memory, Merci  Merci en Imker Graat).

De personen van wie de kindertijd wordt belicht zijn erg divers. Er zijn wereldlijke leiders (Napoleon, Margaret Thatcher…), artistieke figuren (Francis Bacon, Iosif Brodski…), pioniers (Dian Fossey, Amelia Earheart…) en fictieve figuren (Don Quichot, Anne Blume…). Door veelal het perspectief van het kind te kiezen, zorgt Lieske voor een bijzondere spanningsboog. De lezer leest met alle historische en culturele bagage die hij/zij heeft. Terwijl de woorden die in de mond gelegd worden van het kind dat zijn/haar eigen geschiedenis nog niet kent vaak beladen zijn met dramatische ironie. Bovendien zet Lieske de figuren en momenten uit de westerse cultuurgeschiedenis naar zijn hand en portretteert hij hen vooral als antihelden. Zo is het kind Julius Caesar een epilepticus die onder de tafel ligt ‘met uitzicht op de vuile onderkant’ en die hoopt dat ‘De poolster van de gemorste olie en het vet’ hem zal leiden ‘als straks de bouwval van mijn innerlijk bezwijkt.’

De keuze voor de kindertijd wordt expliciet geduid. Het is de tijd die gekenmerkt wordt door wat de Afrikaanse migranten moeten ontberen. Het is de ‘tijd waarin alles nog mogelijk was’, de tijd van ‘ingevouwen bloesem die alle zuiverheid bevat en die nog niet is aangetast door kille wind en scherp hagel.’ De kinderversies van de bekende figuren geven blijk van ‘talent opgeteld bij de onschuld; later komt de verkalking, de gemakzucht en de corruptie.’

De gedichten geven niet enkel een beeld van 44 kindertijden, maar ook een inzicht in de menselijke conditie. Ze analyseren met veel empathie van wat de mens gemaakt is. En dat is erg divers. Een kleine bloemlezing. Er is de aandoenlijke tragiek van de grote mystica Hildegard van Bingen die als meisje nog ‘niets met smaak en tot de bodem geprobeerd’ heeft ‘en al zoveel god gezien’ heeft. Er is Alice (in Wonderland) ‘die angstig naar de spiegel van de toekomst kijkt’. Bij Alban Berg leest men jeugdige overmoed: ‘Als je zo kortbroekjong bent, dan weet je zeker / dat je eeuwig leeft, dat je zomergeluk / zult vinden’ maar ook het nuchtere besef dat ‘We zien geen steek / van wat onze toekomst brengen zal.’ Fantasie tovert bij David ‘Noodles’ Aaronson een ‘puinterrein’ vol ‘klitten en netels, pispot en bijvoet’ om tot ‘velden Saffraan en Kaneel,  Nardus, Mirre of Aloë’. Er is escapisme bij Dan B. Cooper: ‘De ultieme wens in het niets te verdwijnen’ en de ironische zucht naar vrijheid bij Mary Phelps Jacob, de uitvindster van de bh: ‘waarom een harnas aan?’ Terwijl in de kindertijd van Dylan Thomas het licht nog dartel en jong is. Deze bundel is een indringende en vaak verrassende kennismaking met de mensheid.

De beste gedichten zijn die waarin de belangrijkste zaken onuitgesproken blijven. Zo registreert Charlotte Corday (de vrouw die in 1793 journalist en politicus Jean-Paul Marat vermoordde in zijn bad): ‘Het allerfijnste in mijn leven is urenlang zitten /  in bad /…/ Het is de kleinste vorm van  nergens / mee bemoeien’ terwijl ‘De luchtbel verzwakt in bad’ haar verwijtend aankijkt. In een ander gedicht over de kindertijd van W.G. Sebald wordt pas in de uniformkast in het laatste vers de essentie prijsgegeven.

Keto Stiefcommando bevat veel treffende en wondermooie beelden. Zoals de ‘laatste knik / naar de als paarden schrapende familie’ van Hildegard van Bingen wanneer ze het klooster in stapt en nog één keer omkijkt. Interessant is ook hoe doorheen de verschillende kindertijdgedichten motieven uitgewerkt zijn. Zo is er bijvoorbeeld de lichamelijkheid die bij Francis Bacon bestaat uit zweten, rammen, hijgen en bloeden; terwijl Dietrich verlangt naar ‘een lichaam om anderen te behagen.’ Miss Blanche van de Virginia-sigaretten noemt zichzelf een ‘luchtgeest /…/ in een vlucht rook die letters kalligrafeert / van een genotvolle geheimtaal.’ Terwijl Dian Fossey beseft dat ze in gorillaland een taal nodig heeft die niet bestaat uit ‘woorden die onbetrouwbaar zijn’ en ‘beelden die als rook opgaan.’

Tegenover elk kindertijdgedicht staat een prozacommentaar, geschreven in een artificiële straattaal tussen Nederlands en Afrikaans in die een beeld moet geven van het Frans van de Afrikaanse bewoners van Parijs. Deze stukjes trekken parallellen tussen het kindertijdgedicht en de hedendaagse context. Soms zijn die parallellen een beetje flauw. Zo leeft Caesar verder in de naam van het nagerecht Coupe Julien. Andere keren verrassen ze, of zijn ze scherp en confronterend. Zo wordt de veroveringsdrift van de Engelsen die De Franse kroon wilden eigentijds becommentarieerd met ‘En hoezo inburgeren? Wie de ander doodslaat mag door naar de volgende cursus. Dat waren toen de regels.’ Tegenover ‘het sprookjesbal’ en de ‘vele visioenen strotvol arrogante / elegantie’ van Mozart staan ‘gesprekken in onze straat /…/ over kleurige, witte en zwarte families die vanuit de hitte op wrakplanken of tussen wielassen hiernaartoe gereisd zijn of die voortdobberen in onze herinneringen.’ Het gedicht over Louis Blériot die verlangt naar ‘Onbereikbaar Engeland in de verte’ wordt gespiegeld in het beeld van iemand die van het dak gesprongen is: ‘Hier in Parijs voelde hij zich nie thuis nie. Alles liep altijd voor hem skeef en teruggaan was onmogelijk.’ Terwijl in ‘De kindertijd van Alan Turing’ te lezen staat hoe het buurmeisje een gruwelijke geneeskundige behandeling ondergaat die een voorafspiegeling is van de chemische castratie die Turing te beurt viel, wordt de tocht van de Afrikanen naar Saint-Denis met ‘ongecastreerde gevoelens’ en ‘gemoederen opgezweept’. En Jonathan Swift geloofde nog in een ‘gloednieuwe, ideale wereld’, maar in het Parijs van nu is ‘De Gloednieuwe Wereld’ niet meer dan de naam van een kroeg met een gedesillusioneerde waard.

In de verschillende registers die Lieske hanteert, toont hij zijn stilistisch meesterschap. Al komt de verhaalconstructie van de stoet Afrikanen wat artificieel over. Ook het contrast tussen de sappige taal van het ‘bijzondere troeppie’ Afrikanen en het keurig, klassiek aandoende Nederlands van de kindertijdgedichten is onnatuurlijk groot en knaagt aan de geloofwaardigheid van het raamverhaal. Maar bovenal is Keto Stiefcommando een bijzondere bundel over hoe de mens zich spiegelt aan anderen om betekenis te geven aan het eigen bestaan. Hoe we door verhalen te vertellen en gedichten te schrijven onze identiteit steeds opnieuw uitvinden en onze weg zoeken in een complexe wereld waarvan de Franse maarschalk Joseph Joffre zegt:

niets in de wereld loopt
voorspelbaar langs rechte lijnen, van hier
tot het hiernamaals. Alles is herhaling, vangst,
zwenking, onverwachte salto, peilgeluid.

(Poëziekrant, 2019, 5)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s