De blik op scherp (De schrijver is een alleenstaande moeder, Hagar Peeters)

‘De schrijver is een alleenstaande moeder’ van HAGAR PEETERS is een erg gevarieerde bundel. Korte gedichten worden afgewisseld met werk van lange adem. De toon is nu eens prozaïsch, dan weer lyrisch. Sommige verzen neigen naar poésie pure; terwijl andere schatplichtig zijn aan de Vijftigers. De foto’s van de dichteres als 29 oude weken astronaut suggereren dat een aantal gedichten autobiografisch gelezen kan worden, maar daarnaast kruipt Peeters ook in de huid van andere mensen. En toch horen deze gedichten samen. Het lezen en herlezen van deze bundel is een boeiende ontdekkingstocht waarbij steeds nieuwe beelden, verbanden, parallellen en contrasten zichtbaar worden.

De bundel opent met het lange ‘Zomernachtzang’. Aanvankelijk drijft dit gedicht op weinig verrassende, romantische impressies. Door de bezwerende herhalingen en gepersonifieerde natuurbeelden wordt een sprookjesachtige sfeer opgeroepen waarmee een moeder haar kind in slaap lijkt te willen zingen. Maar het duurt niet lang voor een aantal zaken voor wrijving zorgt. De ‘gehardheid van de dag’ vraagt om totale inzet en er zijn de plicht en de roeping waaraan gehoor gegeven moet worden. Bovendien is er ’s nachts ‘het duister van de wanhoop’ met zijn ‘wezens’ die ‘de muren onveilig maken / en spookbodes wekken en kinderen angstige dromen bezorgen’. De nacht blijkt minder eenduidig te zijn dan het gedicht in het begin laat uitschijnen. De nacht is zang én stilte, niets én volledig, droom én kennis. Met zijn ‘onbetamelijke hartstocht’ en niet te beteugelen ‘onmatigheid’ leidt hij tot ‘afzichtelijke gedrochten’. De nacht krijgt ook mythische dimensies: ‘uit het onophoudelijk copuleren komt de hele wereld voort’. Het openingsgedicht, dat zich ook poëticaal laat lezen, zet de bakens uit voor deze bundel. Peeters kijkt verder dan de gemeenplaatsen. Ze wil de lezer niet in slaap wiegen, maar wakker schudden door de dingen te tonen die zich schuil houden in het donker.

Ook in de rest van de bundel is de moeder erg menselijk en aandoenlijk aanwezig. In het gedicht ‘Huis’ zit ze ‘met kolossale tred’ en ‘breed gelakte nagels’ gevangen in het smalle huis. Jaren later is de oranje bank waarop ze zat een lege ‘schoot van stof’ die nog altijd ‘het eerste houvast is’ voor de dochter. De moeder-dochtergedichten zijn gelardeerd met een ‘onbestemd heimwee’. In ‘Ariadne’ wordt de kindertijd voorgesteld als een ‘benevolent omhulsel’ en nu nog cirkelt de dochter als een astronaut ‘onophoudelijk rond / moeder aarde’. Al schrijvend zoekt Peeters aarzelend en tastend de vervulling van die heimwee ‘in het zwart-op-wit / gedrukte slijtvaste onveranderlijke’. Ook hier hoedt Peeters zich voor een te eenzijdige voorstelling of vals sentiment. De heimwee is wat heimwee moet zijn in een gedicht: doorleefd en betrokken, maar ook scherp en ontnuchterend. Naast de kinderlijke onschuld en het ‘zelfonbewustzijn’ is er het gevaar dat overal loert: in het verkeer, in ‘naalden waaruit heroïne vloeide’, en vooral in de vieze man die in het gedicht ‘Tweede schooldag, bus’ ejaculeert op de nieuwe rugzak van de dochter. Het choquerende zit in de herhaling op het einde van dit gedicht: de mannelijke viezigheden houden niet op en blijven zich manifesteren ‘als dagelijkse bijkomstigheden van het meisje-zijn’. Bovendien is er het besef dat de kindertijd slechts een ‘intergallactisch tussenmoment is’ ‘in het uitgestrekte niets van de eeuwigheid’.

De twee meest beklijvende gedichten uit deze bundel zijn ‘In de kelder’ en ‘Memlings muze’. Het eerste laat gedurende 15 pagina’s beelden van de incestzaak van Josef Fritzl in Amstetten los op de lezer. Aan het woord is Elisabeth, de dochter die 24 jaar opgesloten zat in de kelder. Wat zij vertelt, is choquerend in zijn directheid, maar overstijgt ook de anekdotiek. Het gedicht gaat niet enkel over een ‘verkrachtermartelvader’ die zich voordoet als ‘keurige aartspatriarch’, of over een kind (een ‘weerloze bakvis’ nog) dat een alleenstaande moeder wordt van zeven kinderen. Het gedicht gaat over twee werelden. De ene bovengronds waarin ‘de winkelketens van de globalisering’ zich vreedzaam aaneen rijgen en waarin mensen misleid worden en zich vooral laten misleiden door de verdichtingen van de vader. De andere wereld bevindt zich ondergronds: de ‘betonomhulde stulp’ waarin Elisabeth gevangen wordt gehouden. De grens tussen ‘de waarheid die het daglicht aangaat / en de heimelijke hel’ is een dunne grens. De bovengrondse wereld van de ogenschijnlijke redelijkheid doet immers vaak mee aan de gruwel. Bijvoorbeeld door op sensatie belust te zijn en daardoor het de bevrijde dochter een tweede keer onmogelijk te maken om een gewoon leven te leiden. Of in de gedaante van de psychologen die zich glunderend in de handen kunnen wrijven omdat ze een sluitende verklaring hebben waarin Fritzl een slachtoffer is. Opgesloten in haar kelder, doorziet de dochter niet enkel haar eigen bestaan erg scherp, maar ook de mechanismen van de Westerse, Joods-Christelijke wereld. Dit zijn harde verzen die soms bijna gewelddadig bij de lezer binnenkomen. Op een andere manier valt er over een thema als dit waarschijnlijk ook amper te schrijven. Dit gedicht daalt in de diepste krochten van de mens af om tot de conclusie te komen dat het kwaad binnenin zit en zich vermomt in iets banaals als een brave huisvader.

Onmiddellijk op dit gedicht volgt ‘Memlings muze’. Het lyrisch ik van dit gedicht is een ‘eenvoudige meid’ die ook als alleenstaande moeder wordt afgebeeld. Ook zij zit opgesloten; niet in een kelder, maar in een schilderij. Ook zij wordt miskend en als het ware verkracht door de ‘brutale blikken’. Ook zij ziet vanuit haar beperkt perspectief de wereld scherper dan de drommen toeristen die door het ‘chocoladen Brugge’ dwalen. Zij fileert de vergankelijkheid die zijzelf ontstegen is, de schietteboane (minnares) en de zurkelfiege (zuurpruim). De blik van de hedendaagse mens vindt zij oppervlakkig, terwijl ‘de kunst de ziel van de werkelijkheid ziet’. Maar ook de muze is niet onaantastbaar. Ook zij verbleekt heel geleidelijk en kan niet zonder de aardse erotiek van het schilderen om te kunnen bestaan.

Doorheen de hele bundel scherpt Peeters haar blik en die van de lezer. Dat doet ze in een trefzekere taal die vaak bijna transparant lijkt, maar even vaak op subtiele manier morrelt aan betekenissen. Hier en daar komt de taal zelf nadrukkelijk op de voorgrond. In ‘Elf gedichten voor Lucebert’ eigent Peeters zich de taal van Lucebert toe om die vervolgens te ontmaskeren als ‘de wartaal van de holle vaten’ die ‘zich toestopte met zoetgevooisde / klanken uit haar eigen keel’. Op niet mis te verstane manier onderzoekt ze ‘het verraad / van de toekomstige jaren’ en ‘de verstopte waarheid’. Ook Lucebert had een kelder waarin hij iets te verbergen had.

De grote kracht is hoe Peeters met inhoudelijke en stilistische bravoure de lezer meetrekt in haar gedichten. Haar poëzie ademt noodzakelijkheid. Ze engageert zich in de wereld en houdt elke betekenis – ook die van zichzelf – kritisch tegen het licht. De dichter staat ‘aan de zijlijn van de werkelijkheid’ en ‘voedt het binnenwendige’. Hij/zij moet, als een moeder, woorden baren; ‘hij kan / die verantwoordelijkheid / voor wat het zijne // tegenover deze wereld  / is niet afschuiven’. De tijd mag dan misschien vaak onverschillig voorbijgaan, gelukkig zijn er dichters zoals Hagar Peeters die dat niet doen en stil blijven staan bij de dingen.

(Poëziekrant 2019, 6)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s