Een pleidooi voor menselijkheid (Helium, Bart Moeyaert)

Helium van BART MOEYAERT is een kleine bundel. Het witte kaft dat rond de 28 gedichten zit, heeft een lichte structuur als die van handgeschept papier en is bezaaid met minuscule, zilveren druppels. Het zegt veel over de gedichten die de lezer voorgeschoteld krijgt.

Hoe dun deze bundel ook is, er zit veel tijd in: van de overleden grootvader tot de toekomstige geliefde. Die tijd betekent ook dat er veel voorbij is gegaan in deze gedichten. Naar het verleden wordt teruggekeken zonder zeemzoete heimwee of romantisch escapisme. Zo is het elliptische ‘Grootvader’ niet enkel raadselachtig, maar ook behoorlijk hard: ‘Hij wijst me af met een gebaar, tilt me omhoog / en laat me zonder kijken vallen.’ De gevoelens in deze bundel zijn veelal gemengde gevoelens. Het te grote sentiment wordt gerelativeerd: de ware liefde in het gelijknamige gedicht kan een mens meer dan één keer overkomen. Ook het gevoel dat ‘de hele wereld past, maar niet / bij mij’ hoeft niet alleen tot verdriet te leiden: wie zich buitenaards voelt, wordt misschien ergens in het heelal gemist. In het gedicht ‘Opstel’, wordt de dichter treurig van een euforisch opstel dat hij ooit schreef over een bal en een boterham die in het zand viel. Het gedicht zou integraal in Van Dale opgenomen mogen worden als definitie van melancholie. Deze gedichten zijn miniatuurtjes die zo precies mogelijk proberen te achterhalen wat de tijd – en het erbij horende verdriet – doet met een mens.

Bovenal lijkt Moeyaert gedreven door het verlangen naar orde. In het gedicht ‘Houvast’ is het zicht op een plas en een wei met wat schapen en ganzen het enige houvast voor de dementerende ouders. Wanneer de dichter de ware liefde zou vinden, dan zou hij ‘orde scheppen’. Meer dan eens wil hij de dingen laten rijmen. Af en toe krijgt die zucht naar orde iets neurotisch: ‘Alle vorken bij de vorken. En de drempel zou ik schrobben’. Of in ‘Ezelsoor’: ‘ik kan niet opstaan zonder het laken / om te vouwen’. Alleen voor de zekerheid van de dood die als een dief naast het bed staat, past de dichter. Het houvast wordt het meest gezocht in de liefde, zonder dat die liefde op een roze wolk wordt gehesen. Ze blijkt soms scherp: ‘Een tijdlang was je mijn mes / en ik het jouwe’; of wordt benoemd als ‘de traagste seppuku ooit’. Maar iemand die je graag ziet, die “danst als in een tekenfilm de wereld in balans”.

De charme van Moeyaerts poëzie is dat ze complexe zaken in schijnbaar eenvoudige zinnen vat. Hoe zwaar de thema’s ook zijn, ze worden nooit zwaarwichtig voorgesteld. De kleine beelden en de speelse vitaliteit zorgen voor het noodzakelijke tegengewicht. Zo krijgt de dood in het openingsgedicht de lichtheid van een schommel, terwijl in een ander gedicht de ware liefde gevonden wordt in een keukenla. De taal fungeert in deze gedichten niet enkel als communicatiemiddel, maar ook als metafoor voor de liefde en het bestaan. In het huwelijk vult de vrouw haar echtgenoot aan wanneer die stilvalt en de grootvader die erg knokig was met emoties ‘sprak bij voorkeur / zonder woorden’. Het einde van een relatie zit al in het taalgebruik van de geliefden: ‘Nog even en dan ben ik / met twee woorden spreken helemaal / verleerd’.

“Helium” is een pleidooi voor menselijkheid. Vol mededogen kijkt Moeyaert naar de feilbare, maar ook weerbare mens die, zo besluit hij, weinig anders kan ‘doen / dan zijn, een tijd graag zien / en daarna op z’n zachtst verdwijnen’. Gelukkig is er poëzie zoals deze die ervoor zorgt dat we nog even langer kunnen blijven.

(Poëziekrant, 2019, 6)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s