Een pleidooi voor vrijheid en verbeelding (bij Wake van Kurt De Boodt)

In Wake beweegt KURT DE BOODT zich tussen de wieg van een dochter en de begrafenismis van de gehavende gemeenschap waartoe hij behoort. Hij overschouwt het verleden en zoekt manieren om om te gaan met het heden en de toekomst. Voor deze zoektocht hanteert hij de vorm van het sonnet. Dat lijkt klassiek, maar dat is het allerminst in een bundel waarin de meerstemmigheid en complexiteit met elke pagina toenemen.

De titel van de eerste afdeling ‘Dag, dochter’ klinkt als een verwelkoming, maar ook als een afscheid en geeft daarmee twee polen aan waartussen het vaderschap zich bevindt. Aan de ene kant is er het dartele, feeërieke en onvatbare leven van de dochter die zich met ‘onweerstaanbare drang’ ontplooit tot een ‘vanzelfsprekend lachding’. Dat kleine leven overstijgt zichzelf, of de dichter laat het zichzelf overstijgen. Alles ‘schoot in bloei’ en ‘alle dijken breken’ staat er te lezen. Of, zoals het bij Shakespeare – met wie De Boodt nadrukkelijk in gesprek gaat – zou kunnen klinken: ‘Je beschrijft een baan, / laat zon, sterren, maan versteld van jou staan.’ Met de dochter wordt ook de vader geboren: ‘Jij komt in twee. /…/ Het meisje dat gaat. Dochter die mij sticht.’ En die vader staat verstomd toe te kijken. ‘Ik staar ons rakelings dicht bij elkaar’ mijmert hij. Toch is zijn taal het instrument om het ongrijpbare, jonge geweld in kaart te brengen en om te meten ‘hoe ver houden van reikt’. Met verkleinwoorden probeert hij te ‘grijpen naar het heelal.’ De vele, rake neologismen – koesterarmen, vluchtdrift, baarouderwand, spoetnikkaal… –  klinken als een noodzakelijke update van de taal om alle schakeringen die het vaderschap rijk is weer te geven. Aan de andere kant wordt met de dochter ook het afscheid geboren. ‘Je maakt een kind om het af te geven’ staat er te lezen, en de vader vraagt aan zijn kind om hem af te leren vader te zijn. Het huiselijke geluk is een paradijs dat belast is. Zo is er tijdens een dagje aan het strand het besef: ‘leven is toelaten / sloten slijk in de zift, schelpjes kapot’. Het leven is vasthouden en loslaten. Het klinkt niet bijster origineel, maar De Boodt weet er wel weg mee:

Liefst nog plaats ik jou in quarantaine
onder de groeilamp. Laat mij beslissen
toch hoe lang en rauw het hoofdstuk missen.

En net zoals de euforie van de jonge vader zich met de sterren meet, zo speelt ook het besef van eindigheid op een grotere, onheilspellende schaal:  ‘Onder de stolp voel ik het opwarmen/van de aarde.’

In de tweede afdeling, ‘De klank van de klas’, is orde het credo van de school: ‘schrijf binnen de lijntjes’. Maar de ‘speeltijd is oefenen in kwetsen/gekwetst worden’ en ‘wapent vuisten voor later’. Op de speelplaats heerst het polariserende ‘tij van groepsdynamiek’: erbij horen of niet, gepest worden of niet, cowboy zijn of indiaan, dat zijn de vragen waar het om gaat. In zijn terugblik ontdekt De Boodt processen die tijd en plaats overstijgen. Freud, heer Halewijn, Abramovic en Bach zijn aanwezig in de school, naast operatie Restore Hope, WOII en de Guldensporenslag. De speelplaats is een Tiananmenplein waarop dagelijks een revolutie wordt uitgevochten. ‘Alles wordt uitvergroot’ schrijft De Boodt. Het kinderspel is wat later ernst zal worden in de grotemensenwereld. En met die wereld gaat het niet goed. ‘Hier wil ik niet zijn’ en ‘Drek stroomt viraal / de aarde rond’ staat er in het erg urgente ‘Liedekijn’. In de microgemeenschap van de speelplaats moet de toekomstige dichter zijn plaats zoeken. Hij stelt zich de vraag ‘Hoe opgaan in vreemd weefsel?’ Als ‘einzelgänger van eigen kweek’ staat hij aan de zijkant. Hij ‘verbleek[t] in donkere kamers’, is ‘stikbang’, likt ‘verse vrijheidsbeten’ en geraakt niet verder dan gedroomd verzet.

De afdelingen ‘Kaputt’ en ‘Couplet’ gaan verder in op de kapotte wereld waarin er gekozen wordt voor meer prikkeldraad. Het mensdom ‘tolt in het niets’ en ‘Angst holt in oogwit’. Hiertegenover staat de hoop op een ‘knisperend vouwplan tot herstel’ die wordt uitgewerkt in het beeld van de naaimachine. Die metafoor – geen Singer deze keer, maar een Brother – is geen toeval. In deze afdelingen kijkt Van Ostaijen over de schouder van De Boodt mee naar zijn feesten van angst en pijn. En hij knikt goedkeurend. Het gedroomde verzet van de vorige afdeling wordt hier een expliciete oproep tot engagement om waakzaam en behoedzaam om te gaan met de wereld: ‘Komaan, blijf daar niet zonverloren staan’. De dichter wil zich niet conformeren aan het oude gezag: ‘Draag vaders lijk niet op je schouders mee’. Maar hij wil het verleden ook niet negeren: ‘Er is toch zoveel toen /…/ om / vloekend (niet doen!) te vergeten.’ Het individu is immers altijd een deel van een groter geheel: ‘Wij geraken / niet los van elkaar. Elementaire / deeltjes met hun ondeel/heelbare drang.’

Dit alles giet De Boodt in de pasvorm van het sonnet. Hij doet dat aanvankelijk erg netjes; met tien lettergrepen per vers, soms shakespeariaans, soms petrarcaans. De volta is vaak subtiel en het rijm, mede door knappe enjambementen, onnadrukkelijk of verrassend. In de afdeling ‘Kaputt’ breekt hij die pasvorm open en laat hij zijn sonnetten, samen met de wereld die hij beschrijft, vormelijk desintegreren tot ogenschijnlijke chaos. Ze ondergaan, zoals de dichter op het voorplat van de bundel, een metamorfose. Het lijkt zijn kleine revolutie. Waar hij zich in het begin van de bundel nog conformeert aan de verwachte, opgelegde orde; beoefent en bezingt hij in het tweede deel de vrijheid. Ook op woord- en zinsniveau gebeuren gelijkaardige dingen. Meer dan eens vallen woorden uiteen in wat beschreven wordt als ‘lettergrepenvlucht’. In het gedicht ‘Vaardig’, bijvoorbeeld, vallen de verzen uiteen in woorden en woorddelen waaruit de lezer zelf betekenissen kan construeren. Dit taalspel leidt tot verzen die dadaïstisch en expressionistisch aandoen, met hier een daar – zoals in het gedicht ‘Zelfkant’ – een vleugje zuivere lyriek. Nooit zijn de taalexperimenten vrijblijvend, zoals in ‘Solidair/Solitair’:

Alleen. Allen. Al. Een.
                          Nee. Nie. Niemand.
Geen. Ge. Gen.
                         Ver. Raar.
Vreemde. Daar. Bar. Baar.

Er valt veel te ontdekken in deze poëzie. Soms is dat vernuftig plezier, wanneer de dichter bijvoorbeeld F. Léger laat rijmen op zijn eigen naam. Vaak zijn het verwijzingen – soms expliciet, soms impliciet – naar zijn literaire en culturele erfgoed. Met open geest en zonder ook maar één keer pedant over te komen gaat De Boodt de dialoog aan met bekende en minder bekende schrijvers en kunstenaars als Claus, Donne, Elsschot, Geibel, Spilliaert, de Ghelderode… In die zin is Wake, voor wie wil, een erg leerrijke bundel. Ook over de boeiende parallellen, bewegingen en echo’s tussen de verschillende afdelingen zou nog een hele Poëziekrant volgeschreven kunnen worden. En altijd behoudt De Boodt zijn lichte tred. Als een harlekijn deelt hij kwinkslagen uit terwijl zijn gedichten nergens inboeten aan maatschappelijke en persoonlijke noodzakelijkheid. Dit is prikkelende, doorleefde poëzie die bij de eerste lectuur wat nukkig overkomt, maar die zich bij herhaald lezen steeds meer overgeeft en de lezer meer dan eens verbluft achterlaat. Dit pleidooi voor vrijheid en verbeelding verdient aandachtige lezers.

(Poëziekrant, 2020, 1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s