Om de dingen heen (na het lezen van “Mijn naam op de deur” van Astrid Arns)

ArnsA-MijnnaamopdedeurHoewel er aanvankelijk door de dochter snel gesproken wordt met woorden die uit haar mond vallen, overheerst de stilte in deze bundel. In die stilte worden woorden geworpen; de stemmen zijn gedempt, er wordt gezwegen in koor of gesproken achter dubbelglas. Men heeft schrik van de eigen stem en de stilte is op een zeker moment ‘zo compact dat we langzamer ademen’.

‘Tussen zoveel zwijgen’ staat de dichter die met haar taal de dingen bij naam probeert te noemen en die vooral op zoek lijkt naar zichzelf, naar haar naam op de deur, de woorden dat bevestigen dat zij bestaat. Want hoewel er veel lichamelijkheid zit in deze verzen – er is de vuist van het hart, de steen in de maag, het brekende hoofd, de hongerige blik, de angst in kaak en keel – toch zijn mensen soms doorzichtig of worden ze uitgewist door de wind.

Om haar eigen contouren scherp te stellen probeert Astrid Arns afstanden te overbruggen. Tussen zichzelf en de ander (‘Zwijgend kussen we de lucht naast elkaars wangen’), tussen vroeger en nu (‘Niets is ooit voorbij’ ), tussen verlangen en verlies (‘In het voorbijgaan geven we ons bloot’). Op het snijpunt van al deze lijnen staat het huis dat gelezen kan worden als metafoor voor wie het bewoont. De ene keer schermt het de dichter af van de straat, dan weer groeit het in het hoofd. Het maakt zich op voor iemand, is een paar maten te groot, stelt geen vragen of laat haar rolluiken neer. Soms wordt er zelfs een huis gezocht waarin men nooit zal wonen.

Het huis waarin de lezer mag wonen, is dat van de melancholie – een emotie die Astrid Arns tot in de punten en de komma’s weet op te roepen. Zo beweegt het laatste gedicht uit de bundel heel mooi tussen ‘Je komt als een vogel’ en ‘Dan ben je weg’. Nergens trapt de dichteres in de val van sentimentaliteit. Haar taal is erg nauwkeurig, zonder onderkoeld te zijn. Het eerste gedicht heet ‘Transparant’ en dat is een rake typering van de taal in deze bundel die bestaat uit heldere, veelal korte zinnen. Alsof alles zomaar te vatten is in woorden. Dat is het niet uiteraard. En dat weet Astrid Arns ook. Zij wandelt op de koord die suggestie heet en bewaart daarbij op overtuigende wijze het evenwicht. Ze praat voortdurend om de dingen heen. Maar niet richtingloos. Wel heel precies en doorleefd. In cirkels die steeds kleiner worden en het punt in kaart brengen waar het allemaal om draait. Zoals in dat eerste gedicht dat over een dochter gaat, en over vertrapte rozen, geen mens, blauwe schaduw, een omgegooid glas, vloeibare lucht en ‘iets’, waar geen woorden voor lijken te bestaan. Tenzij die van het gedicht.

Ergens anders veranderen ramen in spiegels. Dat is ook wat er gebeurt met de woorden en zinnen in deze bundel. Door de dichterlijke constellaties waarin de woorden gebruikt worden, bieden ze een nieuw, onverwacht uitzicht en pikken ze, zoals de zwaluwen ‘iets ongrijpbaars uit de lucht’. Er wordt niet enkel veel gevoeld in deze poëzie. Er wordt vooral veel verwoord.

Advertenties

Bij “Naar het gras” van Bernard Dewulf

naar het grasEr wordt veel gekeken in deze bundel. In de spiegel. Uit hoge ramen. Er is een Poolse emigrante die staart ‘naar het einde van het lange water’ waarachter Canada ligt. Er is het kijken ‘van iets dodelijks’ in de ogen van een pop. Anita kijkt ademloos en in koud strijklicht wordt er gloeiend gekeken.

In “Naar het gras” houdt Bernard Dewulf de wereld tegen het licht en ziet hoe de dingen om hem heen bestaan. Water zingt en lacht. De wind is een oud en dartel kind dat danst in de hazelaar. Een blauwe jurk ligt te slapen over het water. De jaren lopen. De kamer houdt mensen samen.

De lijfelijke aanwezigheid van de dingen is vanzelfsprekend. De dingen hebben geen poëzie nodig. Zij zijn wat ze zijn. De mens daarentegen lijkt gedoemd om te kijken. En hoe hij ook kijkt, vooruit of terug, uiteindelijk ziet hij maar één ding: de dood. In deze gedichten is het ouder worden prominent aanwezig. Het ouder worden dat het einde steeds dichterbij brengt en van het leven steeds meer een schermerzone maakt ‘waar niemand is waar hij dagelijks bestaat’. De dichter is zich bewust van zijn eindigheid. Hij vangt het gerucht op dat hij al ontbreekt. De doden worden al aangeraakt en hij hoort de oude, overleden dichters – Paul van Ostaijen voorop – zingen en fezelen. In deze bundel is het waardig oud worden: de waarde erkennend van wat ons omringt. Met open ogen.

Nergens is afscheid zo nadrukkelijk aanwezig als in het lichaam en het bijhorende beminnen. Dewulf kleedt dat lichaam uit en probeert het in al zijn naaktheid te droogronden om tot de constatering te komen dat men ook in het lichaam niet thuis is. Dat het lichaam een vergissing is en dat we slechts rakelings naast elkaar bestaan.

Pas wanneer we worden aangeraakt door het licht, leven we, kunnen we liefhebben en verworden tot ‘de laatste bedelaars van elkaar’. Deze poëzie suggereert dat het met taal niet anders is. Om de naaktheid van de mens te tonen, bekleedt Dewulf hem met woorden. Men is pas lichaam ‘als iemand er iets tegen zegt’, stelt de dichter. De eenzamen ‘wandelen sprakeloos door onze straten’. Taal redt ons van de afwezigheid. Taal scherpt onze contouren. Je moet van iemand horen dat je bestaat.

Zoals de wind met zijn ‘eeuwig drentelen om een moment’ zo verandert het licht voortdurend. Zo verandert ook de taal. Hoe genadeloos precies de dichter ook tewerk gaat, hij lijkt te beseffen dat woorden niets anders kunnen doen dan falen en dat wat beschreven wordt altijd ‘afkomstiger van elders’ zal zijn en de geliefden niet meer dan een gerucht zijn, ‘de galm in onze kamer’.

In de gedichten van Bernard Dewulf wordt er ‘onhoorbaar gezongen’. In de ogenschijnlijk alledaagse taal zingt de poëzie in de anaforen, in het subtiele enjambement, in het oxymoron, in de assonanties en de alliteraties. De taal is soepel en zo helder dat ze soms transparant lijkt te worden, waardoor het lezen soms op lijkt te houden met lezen te zijn en een vorm van zien wordt. “Naar het gras” is een oefening in dat zien. De titel van de bundel staat ook in braille op het voorplat. Waardoor je niet enkel leest, maar ook kijkt en wil voelen. En dat is wat deze poëzie doet. Lezen wordt kijken en voelen met elke vezel, met heel het hart, met de lust van ons lijf, met heel het verstand en alle zintuigen, met het verleden dat in onze kamers woont, met ‘het zingen van licht dat naar ons tast’.

Een eindeloze traagheid (bij ‘Stilte in mij’ van Marleen De Crée)

stilte in mij marleen de creeHet eerste gedicht uit “Stilte in mij” eindigt met het woord ‘verlies’. Het laatste gedicht met ‘moedervlek’. Tussen die twee woorden schetst Marleen De Crée ‘een vloeibaar droompad’ uit waarin ze wat onwerkelijk lijkt – het eerste woord van de bundel is ‘alsof’ – probeert te vatten en werkelijk maakt.

In de eerste cyclus van tien gedichten krijgt de lezer bedrieglijk eenvoudige beelden voorgeschoteld. Zo zit er in een vers als ‘lakens als een open veld in een kamer’ vredigheid en warmte, maar ook leegheid en koude. Het beeld van de stilte die sluipt, glijdt, aanblaast, zweeft, deuren sluit… is zo prominent aanwezig dat het een persoon lijkt te worden, een persoon naar wie verlangd wordt.

De verzen zijn kaal, kort, aarzelend en vaak elliptisch. Sommige zinnen worden niet afgemaakt. Er wordt veel weggelaten. Er zit verlies in deze gedichten – verlies dat voorzichtig en met trage blik afgetast wordt. Op die manier slaagt Marleen De Crée er wonderwel in om winst te puren uit dit verlies. Pas in het laatste gedicht van de eerste cyclus waagt de dichter zich aan voorzichtig geluk: ‘toen leek het alsof ze lachte’.

Tegenover dit verlies staan de zintuiglijke, aardse en dus erg tegenwoordige verzen die lijken te compenseren wat/wie er niet meer is. De natuur en de stad in deze gedichten zijn veel meer dan een decor. Ze verbeelden datgene waar de dichter haar vinger op probeert te leggen, datgene wat zich bevindt tussen droom en wereld, de persoon die er nog lijkt te zijn en er tegelijk niet is. Tussen de gedichten klinken voortdurend echo’s. Perspectieven, nuances, betekenissen, draagwijdtes worden verlegd. Alsof Marleen De Crée in een concentrische beweging dichter probeert te komen bij datgene waar het allemaal om draait. In de herhalingen bezweert zij de leegte en de tijd. Met haar woorden tracht Marleen De Crée de dingen eindeloos te maken. Of zoals ze het zelf schrijft: ‘tussen de woorden groeide een eindeloze traagheid’.

En dan moet de tweede cyclus van drie gedichten nog beginnen waarin ‘de tijd’ plaats lijkt te maken voor wat ooit ‘onze tijd’ was, waarin de korte, zoekende verzen plaats maken voor lange zinnen met herinneringen, waarin verstilling op zoek gaat naar haar onstuimige antipode, waarin de ‘grijze weiden’ en ‘koude steen’ plaats maken voor ‘warme aarde’, waarin er naast de stilte ook plaats is voor ‘zingen’. En dat is wat deze bundel doet. Zingen voor wie er niet meer is; op een ingetogen en trefzekere manier.

En daarbij horen schetsen van Goedele Peeters. Het zijn variaties op hetzelfde thema. Lege landschappen zijn het. Hoeveel er ook te zien is, er lijkt ook telkens iets te ontbreken. Een mens bijvoorbeeld. Je ziet de stilte. Sommige afbeeldingen verbergen niet dat het schetsen zijn, zoals de gedichten van Marleen De Crée dat ook zijn. Pogingen om het onnoembare te benoemen.

Een oefening in empathie (bij ‘De Klaverknoop’ van Paul Demets)

de klaverknoopOp zoek naar betekenis lijkt Paul Demets een bijzondere belangstelling te hebben voor de paradox. Men kleedt zich op om iets bloot te geven. Een stoel die niet beweegt, schuift door de kamer. Liefde is woede. Iemand duwt iemand anders van zich af om die persoon aan te halen. Het is duidelijk dat de paradox niet gebruikt wordt om dingen nodeloos complex te maken, maar dat het hier gaat om een fundamenteel levensgevoel. De Klaverdroom gaat over het hoogte krijgen van elkaar én de grond vinden om hier te staan. De tegenstrijdigheden van het bestaan worden niet opgeheven, maar wel dichter bij elkaar gebracht en verhevigd in de taal. In het voortdurende spel met letterlijke en figuurlijke betekenissen van zinsneden krijgen dingen onvermoede betekenissen. Wat éénduidig leek, wordt meerduidig. Wat de lezer voor waar aannam, begint te schuren. Tot in de ordening van de verzen speelt de paradox: ‘haar lippen verzoenen / mij niet.’

Op zoek naar wie we zijn, vervaagt de grens tussen onszelf en de wereld om ons heen. Handen worden blokken marmer, een neus wordt een kraai. De mens in deze gedichten lijkt nu eens te verworden tot processierups, dan weer tot haas of vis. Zaaigoed groeit uit tot vluchtelingen. Het persoonlijk voornaamwoord in Demets’ poëzie krijgt vaak iets onpersoonlijks, of beter gezegd: iets vloeiends. De ‘ze’ in de cyclus Eigenheimer kan verwijzen naar muggen, regendruppels, bouwvakkers, duiven… Het bepaald lidwoord in de cyclus Vaderrol krijgt iets onbepaalds. Hierdoor gaan de gedichten verschillende richtingen uit en verlegt de lectuur zich voortdurend. Als lezer moet je op je hoede zijn. De woorden, en met hen de lezer, worden in steeds nieuwe gedaantes gedwongen. De Klaverknoop is bij uitstek een oefening in empathie. En daar kan ons tijdsgewricht iets van leren.

Op zoek naar betekenis komt de lezer harde verzen tegen. Er is bloed, er wordt vermalen tussen kaken. Nagels zijn een klauw. Er is afstand en het klappen van de zweep. Lippen worden verbeten. Voor de kinderen wordt onheilspellend goed gezorgd in een dichtgemetselde kelder. Een wandeling in de natuur wordt mogelijk explosief. Maar in de cyclus Reisgezel wordt ook samen geklommen en gewacht tot de ander bij je kan komen. ‘Zoals het is, wil ik het bewaren’ schrijft Paul Demets. Daar gaat iets troostends vanuit. Deze poëzie observeert minutieus, oordeelt niet, kiest geen kant, houdt alles tegen het licht van de taal, beseft dat ‘niets woekert zonder reden’ en erkent de dingen in wat ze zijn.

‘We haperen voortdurend’ staat ergens geschreven. Dat doet ook de lezer. Dit is poëzie die je stil doet staan en die je doet herlezen. In één van de gedichten wil men kauwen begrijpen, ‘maar ze laten ons alleen wat dichter komen.’ Zo is het ook met deze gedichten. Er zijn geen sluitende antwoorden, eenzijdige oordelen of waarheden. Samen met de dichter tast de lezer een werkelijkheid af die weerbarstig is en zich als bramen aan ons vast haakt. Zoals het leven is poëzie een voortdurend onderweg zijn. ‘We kunnen met verworden niet stoppen.’ Als lezer en als mens moet je vermeende zekerheden kunnen loslaten. ‘Aan vasthouden, valt niet te beginnen.’

Wat poëzie met de wereld doet – na het lezen van “Nergens in het bijzonder” van Jana Arns

nergens in het bijzonder

Het leven lijkt bij Jana Arns vaak te bestaan uit gemis. De wereld is onvolmaakt, onvoldragen en niet zelden gekwetst. Er is een vader die op reis is. Een moeder moet dichtgroeien en herstellen van een dochter terwijl het kind beseft dat het geen cadeau was. De geliefde staat dubbelgeparkeerd in het hoofd van de ander of is een bui die overtrekt. Mensen staan lek, vervallen als voedingswaren; ze worden als huizen leeggehaald en wanneer de dagen labyrinten worden van doodlopende herinneringen valt er weinig meer te doen dan porto te drinken met ingekaderde mensen. Verzadiging, wordt ergens geconstateerd, is een slechte minnaar.

Dat klinkt hard en dat is het ook. De poëzie van Jana Arns gaat het leven niet uit de weg. Er wordt niet geromantiseerd. Er wordt geconstateerd; precies, helder en trefzeker. Alle zweverige ballast die zo vaak bij poëzie lijkt te horen is overboord gegooid. Dit zijn confronterende gedichten.

Maar achter die eerste, kale indruk gaat zoveel meer schuil. Er is niet enkel het leven dat, ondanks alle boodschappenlijstjes, altijd iets tekort komt. Er is mededogen, kwetsbaarheid, tragiek, verzet, twijfel, levensdrift en hoop.

Ogenschijnlijk eenvoudige vaststellingen krijgen een zinderende diepgang. Er is het menselijk gemis van een huis dat meer kamers heeft dan nodig. Er is de dreiging wanneer iemand ’s morgens recht uit bed in de diepte stapt. Er is de bevreemding van koffers die gepakt worden, ook al gaat men niet weg. Er is het besef dat mensen elkaar vernieuwen zoals men met meubilair doet. Er zijn de dromen die ingekleurd worden met verf die enkele gedichten later van de gesprekken afbladdert. Er zijn de nooit ophoudende dingen die moeten gebeuren; zelfs een moeder moet nog altijd haar tafels oefenen. Men houdt illusies levendig en het einde op afstand, ook al beseft men dat een dagcrème de nacht niet kan wissen.

Wat vooral aanwezig is, is veel poëzie: beelden, formuleringen, ritmes, paradoxen, weglatingen, motieven en herhalingen waarin onvermoede betekenissen ontstaan. Er is in elk gedicht een vederlichte, speelse taal die ademruimte geeft aan de chaos van de wereld.

En er is de taal. De mensen in de gedichten hebben elkaar niet voor het zeggen. Soms zeggen ze niets en zelfs dat wordt niet gehoord. Het is duidelijk: taal redt de wereld niet. En ook niet de mensen. Wat ze wel doet – wanneer ze uitgeklaard wordt zoals in deze gedichten – is een nieuw, bijzonder perspectief bieden.

Misschien lijkt poëzie nog het meest op de slapeloosheid die in de bundel ter sprake komt. De slapeloosheid kwelt, maar biedt tegelijk ook een aantal zekerheden, hoe je in een bed ook wakker kan liggen, bijvoorbeeld. Zo is het ook met deze poëzie. Ze kwelt, maar biedt ook de zekerheid dat de dingen iets betekenen. Slapelozen stellen dromen bij; de gedichten van Jana Arns doen net hetzelfde. Op een genadeloos mooie manier.

In de bundel komen dansers zonder toekomstmuziek voor. Die toekomstmuziek wordt geboden door de poëzie. De wereld is misschien nergens in het bijzonder. Wat deze poëzie doet, is de wereld een plaats geven: ergens in het bijzonder.

(“Nergens in het bijzonder” Jana Arns, Uitgeverij P)